
Nog maar één week en het is dan zover: de gemeenteraadsverkiezingen komen er aan!
Mijn tijd als volksvertegenwoordiger zit er daarna op. Als lijstduwer (#39 VVD Amsterdam) kan je nog op mij stemmen en ik dat waardeer ik heel erg. Als politicus maakte ik mij hard voor een liberale samenleving waar iedereen zichzelf kan zijn, en daar zal ik mij natuurlijk hard voor blijven maken.
De afgelopen jaren heb ik verschillende grote debatten mogen voeren (over reclames, Artis en de hoofdgroenstructuur). Toch kijk ik met het meeste plezier terug op de woensdagavonden waarop ik om 23.30 uur, in een vrijwel lege zaal (iedereen was dan al naar huis) nog met de wethouder debatteerde over de vraag of het budget voor de veiligheid in Nieuw-West niet toch omhoog moest.
Niet de debatten die je landelijke bekendheid opleveren (daarvoor is het wel handig als er publiek is), maar wel de debatten waardoor er in Nieuw-West nu een paar extra handhavers rondlopen.
De inhoud gaat wat mij betreft altijd voor op het spel en voor het politiek theater.
Waarbij ik meteen grif toegeef dat ik ook ongelooflijk kan genieten van ‘het theater’ dat bij lokale politiek hoort. Als insprekers en raadsleden vol vuur hun zaak bepleiten is dat ook een vorm van oprechte betrokkenheid en sociale bewogenheid. Mensen die zichtbaar hun huiswerk hebben gedaan en van hun betogen een spektakel maken, laten daar ook mee zien dat het onderwerp hun raakt en zij oprecht wensen dat er iets in het beleid verandert.
Dan is het belangrijk dat politici hun bevlogenheid niet alleen tonen als de camera’s van de NOS op de publieke tribune draaien maar ook om 23.30 uur op een woensdagavond. Ik hoop dat ik daarin in ieder geval het goede voorbeeld heb proberen te geven.
In deze nieuwsbrief geen terugblik maar een reflectie op het belang van gemeenteraadsverkiezingen. Spoiler: dat belang staat onder druk en niet alleen vanwege de lager wordende opkomst. Een mogelijke oplossing vind je in mijn beschouwing over het ambt van de burgemeester. Nog een spoiler: inderdaad, die zou verkozen moeten worden. Maar je leest ook waarom dat niet gaat gebeuren.
Laurent Staartjes
[email protected]
Wil je reageren op deze brief? Of heb je een onderwerp dat interessant is voor de lokale politiek?
Ik hoor het graag!

🔹 WAT ER SPEELT
De opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen staat onder druk. Dit zet een zelfversterkend effect in het werking: kiezers vinden de verkiezingen elke periode van minder belang en onder meer daardoor neemt het belang van de verkiezingen ook af. Raadsleden zelf kunnen het tij niet keren, maar het Rijk heeft er ook geen belang bij om dat wel te doen.
Voor lokale politici zijn de gemeenteraadsverkiezingen (zoals terecht genoemd in de podcast “politiek aan de Amstel”) als de Olympische Spelen: er wordt vier jaar lang naar toegeleefd. Als je in 'de bubbel' leeft denk je dat iedereen bezig is met wat er in de gemeente gebeurt.
Voor het grootste deel van het land zijn het daarentegen zogeheten 'second order'-elections. Van minder groot belang dus. Dat is terug te zien in de opkomst. Die is traditioneel laag en daalt:

Hoe komt dat? Daar is in opdracht van BZK onderzoek naar gedaan en de redenen lopen nogal uiteen. Bij WNL vandaag duidt Het Parool journalist Tim Wagemakers de relatief lage opkomst.
Wat ik zie in de cijfers: veel mensen willen wel maar maken geen stemplan. Ook mensen die in peilingen aangeven 'zeker te gaan stemmen' blijven toch thuis als het op de dag zelf niet goed uitkomt ('te druk met de kinderen' of ‘vergeten te machtigen’). De stemintentie ligt vaak veel hoger dan de werkelijke opkomst. Uit een peiling in Den Haag blijkt dat verschil stevig te zijn: in 2022 was er 68% intentie ten opzichte van 43% werkelijke opkomst! Deze keer ligt de intentie lager (rond de 63%) wat kan duiden op een nog lagere werkelijke opkomst.
Als lokaal politicus voer je eigenlijk twee campagnes:
Je moet eerst de kiezer overtuigen te gaan stemmen (‘de verkiezingen doen er toe’)
Daarna moet de kiezer overtuigd worden op jou te gaan stemmen (‘wij hebben de beste ideeën’).
Dat is best een opgave. Politici zijn vaker beter in het tweede dan in het eerste deel. Logisch ook: daar wil je als politicus ook je tijd aan besteden.
Wat betekent de lage opkomst?
Een relatief lage opkomst doet (opvallend genoeg) niet veel voor de legitimiteit van het gemeentebestuur. De legitimiteit blijft ook bij 40 a 50% behouden. Wel doet een lage opkomst afbreuk aan het wat ongrijpbare ‘democratisch mandaat’: spreekt de raad echt namens alle inwoners zoals de gemeentewet stelt? Waarom zijn die inwoners dan niet gaan stemmen? Die (voor de hand liggende) vragen tasten in de praktijk de positie van de raad aan.
Dat raakt een ander probleem: raadsleden ervaren steeds een hogere werkdruk. Ze moeten in minder tijd veel vaker grotere besluiten nemen. Tegelijkertijd neemt het belang van de gemeenteraad steeds meer af in verhouding tot de andere organen binnen het gemeentebestuur.
Dat klinkt paradoxaal maar heeft met elkaar te maken: gemeenten zijn feitelijk 'democratisch gelegitimeerde uitvoeringsorganen'. Gemeenten staan aan de lat bij de uitvoering van de grootste maatschappelijke opgaven van deze tijd (energietransitie, zorg, asielcrisis, wooncrisis etc.). Het is een bewuste keuze geweest te ‘decentraliseren’. Geen wonder dus dat gemeentebesturen veel druk ervaren.
Maar wat kan de raad precies besluiten? In veel dossiers is de bewegingsruimte voor de raad beperkt. De ‘feitelijke’ besluitvorming vindt vaak plaats in Den Haag (medebewind), binnen regionale samenwerkingsverbanden (regionalisering) of diep in de ambtelijke organisatie (technocratisering). De bestuurlijke betrokkenheid beperkt zich dan tot een anders bestuursorgaan binnen het gemeentebestuur: het college van B&W. Het professioneel bestuur.
De gemeenteraad is (als ‘lekenbestuur’) dan plat gezegd meer ceremonieel: ze nemen de formele besluiten maar zijn (ook vanwege tijdgebrek) maar beperkt of niet betrokken bij de invulling en voorbereiding ervan. Dat doen ambtenaren en het college van B&W. De raad fungeert dan enkel als toezichthouder van het college. Wil een raadslid wat veranderen aan een besluit dan wijst de wethouder erop dat ‘er uitgebreid geparticipeerd is’. Met andere woorden: “doe maar niet raadslid, alle belangen zijn al afgewogen.” Als de raad het besluit krijgt, is het eigenlijk al te laat.
De raad ‘bepaalt’ wel wie er in het college mag. De verkiezingsuitslag doet er in dat op zicht dan (heel) veel toe, maar dat is alleen bekend bij een kleine groep mensen.
Deze ontwikkeling is een gevolg van de dualiseringsoperatie uit 2002. Meer zeggenschap naar het professioneel bestuur ten koste van het lekenbestuur (de raad).
Het Rijk vindt het wel prima zo
Moet ‘politiek Den Haag’ ingrijpen? Daar wordt al decennia over gedebatteerd. Cynisch genoeg vindt Den Haag het wel prima zo. De woningcrisis is makkelijker op te lossen als niet alle 8000-raadsleden elke keer opnieuw hoeven mee te praten. Gewoon stempelen en bouwen. Die trend lijkt Kabinet Jetten-I verder door te zetten. In het regeerakkoord wordt de gemeenteraad niet genoemd. Wel ‘een slagvaardige overheid’ en meer inzetten op regionalisering en mandaat binnen uitvoeringsorganisatie. Een goede verstaander weet: de raad komt op grotere afstand te staan.
Is Den Haag dan volledig onverschillig? Nee. Waarschijnlijk gaat ‘vanwege de werkdruk’ de vergoeding voor raadsleden met maximaal 19% omhoog. Dat verandert feitelijk niets: raadsleden gaan dan voor meer geld hetzelfde doen.
Een relatief lage opkomst biedt bevestiging dat een sterkere positie voor de raad niet nodig is: kennelijk vindt de kiezer het ook niet interessant. Den Haag spreekt dan van de noodzaak voor een ‘meervoudige democratie’ of ‘doe-democratie’. Inwoners buiten de raad om betrekken bij besluiten. Probleem: die bewoners hoeven aan niemand verantwoording af te leggen. Verkozen politici moeten dat wel.
De kiezer zou dit tij kunnen keren. Door te eisen dat de positie van de volksvertegenwoordiging sterker wordt. Deze vertegenwoordigt namelijk direct de bewoners. Maar als de kiezer thuis blijft, dan is het signaal eveneens duidelijk: de Nederlander vindt het wel prima hoe het gaat. Daarmee treedt er een zichzelf versterkend effect op.
⚙️ ONDER DE MOTORKAP
Als Nederlanders één politicus kennen uit hun eigen gemeente dan is dat vrijwel altijd de burgemeester. Vroeger echt een erebaantje. Tegenwoordig een loeizware bestuurlijke functie. Daardoor is het ambt minder toegankelijk en is het lastig geschikte kandidaten te vinden. Tegelijkertijd stuiten aanpassingen op forse bezwaren, terwijl een herziening van het hele stelsel meerdere problemen zou oplossen.
Voormalig minister en PVV-Kamerlid Fleur Agema maakt er geen geheim van: graag gaat ook zij aan de slag als burgemeester. Tot nu toe zijn haar sollicitaties zonder succes geweest.
Dat startte in de landelijke talkshows de bekende discussie: kan een PVV’er wel burgemeester worden? Moet je daar niet ‘verbindend’ voor zijn? Hoe past dat bij de scherpe opvattingen over de islam?
Die vraag komt vaker langs en het antwoord is een tikkeltje flauw: dat bepaalt de gemeenteraad en ja, die stelt inderdaad vaak de eis dat een burgemeester ‘verbindend’ moet zijn.
Maar bij die eis alleen stopt het niet: van burgemeesters worden tegenwoordig heel veel kwaliteiten en competenties gevraagd. Het komt zelfs voor dat ondanks tientallen sollicitaties een vacature onvervuld blijft. Het gewenste schaap met de vijf poten zit er dan niet bij.
In het in 2021 verschenen rapport Teveel van het goede? De staat van het burgemeestersambt anno 2020 wordt er gewaarschuwd voor de vele verschillende rollen (en bijhorende competenties..) die een burgemeester anno nu moet vervullen. De onderzoekers stelden dat 'de burgemeester verzuipt'. Zij adviseerden daarom een aanpassing van het ambt. De burgemeesters zelf reageerden in een opiniestuk en zeiden “klopt niet”: “Burgemeesters verzuipen niet zo snel. De meesten kunnen heel goed zwemmen. Sterker nog, zij voelen zich als een vis in het water, ook wanneer het even pittig wordt. Daar zijn ze op geselecteerd en op getraind.”
Er ontstond na publicatie een patstelling tussen de onderzoekers en degene die onderzocht werden (de burgemeesters). De minister besloot vervolgens geen grote veranderingen voor te bereiden.
Toch zeiden de burgemeesters (en later eveneens de wethouders) iets interessant: kijk niet alleen naar de functie van de burgemeester maar kijk naar mogelijke veranderingen binnen het hele stelsel.
Daar ligt mijn inziens ook de oplossing voor het probleem: een burgemeester direct verkiezen past niet bij de huidige invulling van het ambt. Toch zou dit een oplossing zijn voor meerdere problemen: maar kies dan voor een ‘presidentieel stelsel’. De bevolking kiest direct de burgemeester. De burgemeester stelt vervolgens een eigen college van wethouders vast en voert beleid uit. De gemeenteraad (via aparte verkiezingen verkozen) kan vervolgens het college echt (dualistisch) controleren zonder bang te zijn bij elk kritisch woord een bestuurscrisis te ontketenen. Geen oppositie versus coalitie (‘ik verwijs voor deze vraag door naar de wethouder’) meer maar echt dualisme. De raad kan weer doen waar zij goed in is: de bewoners vertegenwoordigen. Het college doet dan waar zij goed in zijn: (landelijk) beleid uitvoeren en verantwoorden.
Gaat dit gebeuren? Nee. Zelfs al zou er draagvlak zijn, dan moet hiervoor de Grondwet aangepast worden. Artikel 125 bepaalt namelijk dat de raad aan het hoofd van de gemeente staat. Terwijl in dit stelsel de burgemeester (en niet de raad) dan de facto aan het hoofd van de gemeente komt te staan. Die wijziging zal er niet snel doorheen komen. Best ironisch, want de grondwetsbepaling die de positie van de raad beschermt, is tegelijkertijd de bepaling die de raad in de huidige positie gijzelt.
Dank voor het lezen — en zoals altijd hoor ik graag hoe dit soort observaties aansluiten bij jullie ervaringen in andere gemeenten.
Tot volgende maand,
Laurent Staartjes
📬 Abonneer je hier of stuur deze nieuwsbrief door naar iemand die ook onder de motorkap wil kijken.

